De Vuntus bestaan grotendeels uit open water (relatief grote laagveenplassen). Dit landschap is ontstaan als gevolg van veenwinning in het verleden. Het ligt aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug. Het gebied is belangrijk voor watervegetaties die horen bij laagveenplassen, voor moerasvogels en voor trilveen en veenmosrietland. De oostrand staat onder invloed van kwelwater dat vanuit de Heuvelrug in het Loosdrechtse plassengebied aan de oppervlakte komt. Om de Loosdrechtse plassen op peil te houden laat AGV in de zomer water in vanuit het Amsterdam Rijnkanaal. Dit water wordt eerst gedefosfateerd. Vanuit Loosdrecht kan water naar de Vuntus stromen. Andere waterbronnen zijn kwel water en wateroverschot vanuit het oostelijk Ster- en Zoddengebied.
Vuntus (NL11_5_9) heeft watertype “matig grote ondiepe laagveenplassen” (M27) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 96 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3300-EAG-8 (Muyeveld, Vuntus)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Wijdemeren. Het waterlichaam Vuntus heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Natuurmonumenten, Plassenschap Loosdrecht En Omstreken, gemeente Wijdemeren, particulieren.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote, ondiepe laagveenplassen (M27), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn gericht op uitbreiding van het oppervlakte en verbetering kwaliteit van de habitattypen kranswierwateren, meren met krabbenscheer en fonteinkruiden en voldoende waterriet voor moerasvogels zoals de Grote Karekiet en Woudaap. Ook leveren de Loosdrechtse plassen water aan Natura2000 gebieden met een doelstelling voor mesotrofe verlanding, zoals trilveen en veenmosrietland.
De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Vuntus (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.
Hoewel de hoeveelheid en soortenrijkdom van onderwaterplanten toe neemt vanaf 2010, scoort deze maatlat nog steeds slecht. De visstand scoort onvoldoende omdat er vrijwel geen zuurstoftolerante en plantminndende soorten voorkomen. Ook is de relatieve (en totale - 110 kg/ha in 2017) biomassa van brasem erg hoog. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.22 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.09 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont geen trend. De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.5 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstof en fosfor gaan achteruit, de pH gaat vooruit.
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de slechte kwaliteit is onvoldoende licht op de bodem, waardoor waterplanten niet kunnen groeien. Het water is te troebel, door een grote hoeveelheid algen en door zwevend slib. De algen zijn een gevolg van een hoge voedselrijkdom van het water. In een troebele situatie met weinig waterplanten voelt de brasem zich thuis. Deze vis woelt de bodem los, wat zorgt voor extra zwevend slib. Daarnaast speelt ook de omvang van de plassen een rol: door de lange strijklengte veroorzaakt de wind hoge golven, waardoor makkelijk opwerveling plaatsvindt. De waterbodem van de Vuntus is bovendien zeer voedselrijk en vormt dus een risico voor nalevering van fosfor.
Maatregelen op hoofdlijnen
Veel maatregelen die zijn gericht op het reduceren van de fosforbelasting om de algenbloei in Loosdrecht te voorkomen hebben naar verwachting ook effect op de waterkwaliteit in de Vuntus. Daarnaast zijn er maatregelen gericht op verbeteren van de habitatomstandigheden, zoals het intensiveren van rietbeheer en het tegengaan van vraat door ganzen. Als de fosfaatbelasting voldoende is gereduceerd in Loosdrecht dan worden ook maatregelen om de brasemstand te verkleinen en om nalevering uit de waterbodem te voorkomen uitgevoerd.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water vormt een probleem. Door een te hoge fosforbelasting vindt er algenbloei plaats. Deze fosforbelasting komt zowel vanuit de bodem als van buitenaf. Zo spoelt er veel fosfor vanuit (voormalige) landbouwpercelen en vanaf verhard oppervlak het water in. Door verschillende processen kan fosfor vanuit de waterbodem beschikbaar komen in het oppervlaktewater (P-nalevering). De actuele P-nalevering (datgene wat momenteel vrijkomt) en potentiële nalevering (datgene wat vrij kan komen) kan worden geschat op basis van metingen van fosfor, ijzer en zwavel in het poriewater en de toplaag van de waterbodem. In de Vuntus wordt een beperkte actuele nalevering vanuit de bodem berekend, maar wel een zeer hoge (10 mg/m2/dag) potentiële nalevering. De waterbodem van de Vuntus vormt dus een risico voor nalevering van fosfor. De fosforbelasting is hoger dan de draagkracht van het systeem. |
|
|
Lichtklimaat vormt een probleem. Er zijn bijna geen ondergedoken waterplanten. De oorzaak van de troebelheid van het water zijn de in het water zwevende deeltjes. Deze bestaan uit algen en door wind en bodemwoelende vissen opgewerveld bodemmateriaal. De opwerveling door boten blijkt in vergelijking met de opwerveling door wind gering te zijn. In de zomermaanden is de concentratie zwevend stof hoger dan in de winter. Dit blijkt niet het gevolg te zijn van een hogere algengroei, maar van actievere bodemwoelende vis (brasem). |
|
|
Productiviteit bodem vormt een probleem. In de Vuntus bestaat dus kans op woekerende waterplanten en kan worden overwogen om te gebaggeren vanuit waterkwaliteitsoverweging. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Schaduw door bomen, het type beschoeiing, steile taluds en afkalving van oevers in combinatie met een zeer beperkt ondiep areaal beperkt de ontwikkeling van emerse vegetatie. Grote oeverlengten zijn bedekt met steigers, waardoor het areaal dat geschikt is voor (deels) ondergedoken vegetatie relatief klein is. Er is meer stevig waterriet nodig voor voor vis, vogels (moerasvogels zoals grote Karekiet en Woudaap) en macrofauna. De structuur (vegetatie) in de ondiepe zone en zone tot 2 meter waterdiepte is van groot belang voor vis, vogels en macrofauna. Bij aanleg van oevers is een flauw talud van 1:15 van belang voor een goede rietontwikkeling. Ook zijn vooroevers waarschijnlijk minder geschikt in deze plas, omdat zij veel slib invangen en daardoor niet altijd een goed habitat zijn voor half-ondergedoken vegetatie, maar wel voor onderwaterplanten. |
|
|
Verspreiding staat onder druk. Doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen. Schieraal (geslachtsrijpe aal) kan de plas niet veilig uit komen om naar zee te trekken. De vijzel van gemaal Loosdrecht is niet 100% visveilig, maar de schade van dit type pomp is minder groot dan bij centrifugaalpompen. Glasaal (jonge aal) kan alleen via de Kraaienestersluis, Weersluis en Mijndense sluis naar de plassen migreren, maar het is niet bekend of er aanbod van glasaal is bij de verschillende inlaten van de plas. Waarschijnlijk is dat aanbod in de huidige situatie zeer gering, maar ook iets oudere aal uit de Vecht zou via de sluizen de plassen op kunnen trekken. |
|
|
Verwijdering door ganzen is een probleem. |
|
|
Organische belasting vormt geen probleem voor de kwaliteit van het watersysteem. |
|
|
Toxiciteit vormt geen probleem. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Consequenties gedefosfateerd surplus Bethunewater via Loenderveense Plas (2018), Memo waterkwaliteit en ecologie (2016).
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat agrarische percelen in het achterland naar de Vuntus afwateren. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Beperken nalevering uit en voedselrijkdom van de waterbodem | In de Vuntus levert de waterbodem voedingstoffen na en bestaat de kans op woekerende waterplanten. Baggeren, bezanden of ijzersuppletie kunnen nalevering uit de waterbodem beperken en woekering van waterplanten voorkomen. Deze maatregel werken we verder uit in afstemming met projectengroepen van het gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Beperken fosfor uit- en afspoeling in Ster en Zodden (achterland van Loosdrecht) | Door aankoop van nieuwe NNN percelen en stoppen met bemesten. Ook door plaggen en overige maatregelen kunnen percelen uitgemijnd worden. | Provincie Noord-Holland | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Brasem verwijderen | Deze maatregel is pas zinvol nadat alle belastingmaatregelen genomen zijn en de externe belasting lager is dan de kritische grens. Het van belang dat de brasemstand tegelijkertijd in het gehele plassengebied wordt gereduceerd. Deze maatregel heeft ook invloed op het lichtklimaat (ESF2). | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Intensivering van rietbeheer langs de oevers van plassen Natuurmonumenten | Het gaat hier om zowel eenmalige aanpassingen als om structurele intensivering van het onderhoud. Eenmalig is nodig: oevers beschermen tegen graas, bomen verwijderen en afvoeren en infrastructuur aanleggen om intensiever onderhoud mogelijk te maken. Structureel is intensivering van beheer en onderhoud nodig, zodat opschietend hout tijdig wordt verwijderd en afgevoerd; hiervoor is een structurele uitbreiding van SNL-gelden nodig. Bomen die onderdeel van het landschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met Natuurmonumenten hoe deze maatregel opgepakt kan worden. | Natuurmonumenten | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Vastleggen van geboden en verboden in KEUR en beheer en onderhoudsplan | Het is niet wenselijk dat grote delen van de plas worden gemaaid. De Keur laat gebiedsgericht minder frequent onderhouden toe. Implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Daarin moet tenminste aandacht worden gegeven aan een maximum areaal dat gemaaid mag worden in de ondiepe zones, het voorkomen van overkluizing en beschoeiing en het verwijderen van overhangend groen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Op basis van onderzoek, beperken van de effecten van door grondwateronttrekkingen afgenomen kwel | Dit is een maatregel voor alle waterlichamen waar door grondwateronttrekkingen de hoeveelheid kwel is afgenomen. De effecten van de veranderde kwelsituatie, als gevolg van grondwateronttrekkingen, op de ecologie van het oppervlaktewaterlichaam worden beperkt door verminderen van de winning of door mitigeren en/of compenseren. De maatregel bestaat uit, of moet aansluiten bij, al lopende of in onderzoek zijnde initiatieven. Met de provincies als vergunningverleners voor grote grondwateronttrekkingen stemmen we af wie initiatiefnemer van deze maatregel is. | 2021-2027 | ||
| SGBP3 2021-2027 | Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater | Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Beperken van de fosfaatbelasting in combinatie met het polderdoorstroomprincipe | Dit is een gefaseerde maatregel uit SGBP-II. Het gaat om het realiseren van 3 upflow fosfaatfilters: in de Ster, de Weersloot en bij de Tomin-stuw. Alleen de filters bij de Ster en de Tomin-stuw hebben invloed op de fosforbelasting van Loosdrechtse Plas 1 t/m 5, Breukeleveensche Plas, Kievitsbuurt en Vuntus. Deze maatregel heeft ook invloed op de habitatgeschiktheid (ESF4), omdat macro-ionen uit kwelwater beter benut kunnen worden. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP2 2015-2021 | Beperken fosfaatbelasting ism polder doorstroomprincipe | In het ster en zoddengebied komen drie nieuwe defosfateringen: bij de Weersloot, Stergemaal en Tomin stuw. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Onderzoek drinkwaterwinning Loosdrecht | Provincies hebben dit onderzoek en politiek afweging afgerond, met name ten gunste van drinkwaterproduktie. Het is wenselijk om deze politieke afweging te herhalen gezien de huidige kritische situatie omtrent de stikstofproblematiek. De bufferende werking van kwel water is essentieel voor de kwel- afhankelijke natuur. Dit is niet te compenseren met alternatieven. | Provincie Noord-Holland | 2015-2021 | |
| SGBP1 2009-2015 | Instellen polderdoorstroomprincipe, waterbeheermaatregelen | Het betreft alle waterbeheer- en inrichtingsmaatregelen die het waterschap in het kader van gebiedsafspraken met gebiedsactoren in het gebied van Ster en Zodden gaat uitvoerenVoorbeelden van maatregelen zijn:- Aanleggen duikers, stuwen- Graven nieuwe watergangen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Uitvoeren herstelmaatregelen Loosdrechtse plassen, peilbeheer | Het gaat om het uitvoeren van de waterbeheermaatregelen om een flexibel peil tussen -1,05 en -1,2 m NAP in te stellen binnen een gebied van 1470 ha | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Uitvoeren herstelmaatregelen Loosdrechtse plassen, wateraan- en afvoer | Het gaat om het uitvoeren van de volgende waterbeheermaatregelen:- Het saneren van bestaande sluislekken bij de Weer- en Kraainestersluis- Het terugpompen van schutwater bij de Weer, Kraainester- en Mijdense sluis- Het onderzoeken van de mogelijkheden om de wateraan- en afvoer van Molenpolder/Westbroek via Breukeleveense plas te verbeteren | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
|
|
SGBP1 2009-2015 | Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren | Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. | Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen | 2021-2027 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Opsplitsing van Loostrechtse Plassen. Dit waterlichaam is opgesplitst omdat ze eigenlijk bestaan uit meer systemen. Deze deelgebieden functioneren anders en hebben vaak verschillende watertypen. Om de huidige toestand en de verbetering of achteruitgang hierin te zien zijn nu kunstgrepen nodig (analyse en toetsing), die tijd kosten en om uitleg vragen. De inspanning qua monitoring hoeft niet gewijzigd te worden, in ieder geval niet voor wat betreft de verplichte monitoring. De inspanning voor de wat betreft maatregelen wordt ook niet anders. De richtlijn stelt: “Oppervlaktewateren kleiner dan 50 ha worden in principe niet als waterlichaam aangewezen, tenzij het waterlichaam onderdeel uitmaakt van waterafhankelijke beschermde gebieden, of onderdeel uitmaakt van het specifieke gebiedsgerichte beleid (een reden om gebieden van verschillende terreinbeheerders niet samen te voegen).” En “ Kleine wateren met een aantoonbare ecologische betekenis, hetzij van belang voor omliggende waterlichamen, hetzij van belang als onderdeel van beschermde gebieden, zouden wel als aparte waterlichamen moet worden onderkend.” Loosdrecht is een Natura2000 gebied met aantoonbare ecologische betekenis.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.